Partijpolitiek in ‘Kikkers’ van Mo Yan

Het werk van Mo Yan kan over het algemeen de goedkeuring wegdragen van de Chinese autoriteiten. Dat geeft ons een andere blik op China dan dissidente literatuur. Wat vindt de partij gepaste literatuur voor het volk?

De Chinese eenkindpolitiek lijkt niet direct een geschikt thema voor een auteur die binnen de lijnen van het toelaatbare schrijft. Hoeveel mijnenvelden liggen er wel niet binnen dat onderwerp verborgen? Toch kiest Mo Yan in Kikkers voor het leven van een ‘gezinsplanner’ als uitgangspunt. De roman won vervolgens de Mao Dun-prijs, een literaire staatsprijs die onder meer in het reglement heeft staan dat te bekronen werken ‘bevorderlijk dienen te zijn voor de verbreiding van de geest en het gedachtegoed van het patriottisme, collectivisme en socialisme’. Blijkbaar heeft Mo Yan in de ogen van de staat dus niet een controversieel, maar een dienstbaar werk uitgebracht.

Grimmigheid en braaf burgerschap

De tante van verteller Kikkervisje is gynaecoloog en krijgt in haar district de leiding over het uitvoeren van het eenkindbeleid. Kikkervisje ziet toe hoe zijn tante, die aanvankelijk aanzien heeft als kundige vroedvrouw, gaandeweg wordt gevreesd en veracht om de sterilisaties en abortussen die ze uitvoert. De consequente uitvoering van het nationale beleid leidt tot steeds grimmigere situaties, zoals wanneer tante en haar assistente Leeuwtje een vrouw willen oppakken die voor de vierde keer zwanger is. Ze probeert zwemmend te ontsnappen, op de hielen gezeten door tante in een boot:

‘Ik hoop dat je een beetje wilt meewerken,’ zei tante, ‘kom rustig aan boord, ga met ons mee voor de ingreep.’

‘Koppig verzet is een dood spoor!’ riep Leeuwtje in een vlaag van woede. ‘Al zou je helemaal naar de Oostzee kunnen zwemmen, dan zouden we je tot daar volgen!’

De vrouw begon hard te huilen. Haar armslagen in het water werden langzamer. Slag voor slag langzamer.

‘Geen kracht meer?’ zei Leeuwtje lachend. ‘Zwem maar, hoor, als je dat zo goed kunt, vissen en honden duiken, kikkers springen met een plop …’

Op dat moment zonk het lichaam van de vrouw langzaam weg en leek zich in de lucht de geur van bloed te verspreiden. Tante boog zich voorover om het wateroppervlak af te speuren: ‘Dat gaat fout!’

En of dat fout gaat. De zwangere vrouw overlijdt. Wij zouden als lezers kunnen concluderen dat de strikte gezinspolitiek leidt tot extreme situaties waarin zwangere vrouwen onnodig overlijden. Dat zou in de buurt kunnen komen van kritiek op het beleid… Maar meteen daarna begint de vertelling over de persoonlijke tragedie van hoofdpersoon Kikkervisje. En dat ontvouwt zich op een hoogst merkwaardige manier. Na de geboorte van zijn eerste kind, een dochter, plaatst zijn tante ongevraagd een spiraaltje bij zijn vrouw, Luo Renmei.

‘Waarom is mij niks gevraagd … Een spiraaltje geplaatst … Waarom mag ik maar één kind krijgen … waarom …’

Ongeduldig zei ik: ‘Stop toch met huilen! Dat is het nationale beleid!’

Kikkervisje is hier het toonbeeld van een gehoorzame burger, maar Renmei heeft niet zo’n boodschap aan het nationale beleid. Ze laat het spiraaltje illegaal verwijderen. Kikkervisje is inmiddels militair en krijgt pas over dit voorval te horen als zijn vrouw voor de tweede keer zwanger is:

‘Dat is toch veel te gevaarlijk’, antwoordde ik. ‘Kaak Yuan, die varkens en honden castreert, durft nu ineens ook al spiraaltjes weg te halen, wat hadden we moeten doen als het fout was gegaan?’

‘Heel veel mensen gaan ervoor naar hem’, zei moeder met gedempte stem. ‘Volgens je vrouw is zijn techniek aardig goed, hij gebruikt een ijzeren haak, na een paar keer proberen heeft-ie het eruit.’

De plompverloren toon die Mo Yan hier hanteert, is zijn handelsmerk. Hij geeft ernstige situaties vaak iets kolderieks. We worden uitgenodigd om te lachen om die varkenscastreerder met z’n ijzeren haak en z’n ‘aardige techniek’. Daarmee blijft de realiteit niet ongezegd, maar wordt wel de angel eruit gehaald.

Kikkervisje gaat door een scala aan emoties bij de tweede zwangerschap. Allereerst is hij geïrriteerd, daarna kwaad op uitvoerder Kaak Yuan. Hij is bezorgd om zijn partijlidmaatschap, boos op zijn vrouw. In een gesprek met Kaak voelt hij zich ineens ‘getroost’ bij de gedachte aan een zoon. Hij is zelfs ‘wanhopig’ als hij bij tante bepleit om het kind dan maar geboren te laten worden – een wanhoop die kortstondig is, want al snel is hij weer ‘begripvol’ over tantes redeneringen. De emoties die hij níet laat zien zijn even veelzeggend. Zijn woede richt zich geen enkele keer tegen het beleid. Ook op tederheid of begrip voor zijn vrouw valt hij niet te betrappen.

Lachen om abortus

Kikkervisje blijft voorstander van abortus. Na een breed uitgesponnen klopactie geeft Renmei zich met tegenzin over. En dan vindt er dit merkwaardige gesprek plaats met een ‘hoge pief’ bij gezinsplanning, chef Yang:

‘Jonge kameraad Luo,’ zei chef Yang, ‘hoe zouden wij vrouwen niet van kinderen kunnen houden? Eentje, twee, drie, zelfs tien lijkt ons niet te veel. De Partij en het land houden ook van kinderen, kijk maar naar voorzitter Mao en premier Zhou, ook op hun gezichten brak een lach door bij het zien van kinderen, dat soort liefde komt direct uit het hart. En waarom voeren wij revolutie? In wezen is dat in de hoop dat onze kinderen een gelukkig leven kunnen leiden. Kinderen zijn de toekomst van het land, ze zijn ons waardevolste bezit! Maar als we niet aan gezinsplanning doen, zullen we voor het probleem komen te staan dat die kinderen waarschijnlijk geen eten zullen hebben, geen kleren om hun lijf, geen scholen om te leren. Daarom vraagt de gezinsplanning om kleine, persoonlijke opofferingen voor het welzijn van de hele mensheid. Het beetje leed dat jij te verduren hebt, de kleine opoffering die jij geeft, dat is jouw bijdrage aan het land!’

‘Chef Yang, ik zal u gehoorzamen en nog vanavond een abortus ondergaan’, zei Renmei. Ze draaide zich om en zei tegen tante: ‘Tante, neemt u dan tegelijkertijd ook mijn baarmoeder helemaal weg!’

Chef Yang was even verbaasd en barstte vervolgens in lachen uit.

Iedereen lachte mee.

Dit moet wel een van de meest ongepaste lachsalvo’s uit de literaire geschiedenis zijn. En daar weet Mo Yan nog een schepje bovenop te doen. In de loop van dit vrolijke gesprek krijgen Kikkervisje en Renmei allebei uitzicht op een mooie positie in de hoofdstad. Dat leidt tot:

‘Ik ben toch zo blij!’ Renmei danste van vreugde in het rond. ‘Mijn dochtertje kan in Peking naar school. Mijn dochtertje wordt een Pekinese!’

Chef Yang nam Renmei nogmaals op en instrueerde tante: ‘Zorg dat alles goed is voorbereid voor de ingreep, we moeten haar veiligheid waarborgen.’

‘Wees gerust!’ luidde het antwoord.

Deze jonge vrouw hebben wij gevolgd in haar diepe weerzin tegen het beleid en haar intense verlangen naar een tweede kind. We hebben gezien hoe ze haar eigen leven, haar huwelijk en de maatschappelijke positie van haar gezin in de waagschaal heeft gelegd om zwanger te worden. En dan worden we getrakteerd op een vreugdedansje om de mooie toekomstverwachtingen voor haar dochter – op de vooravond van haar abortus, terwijl haar zwangerschap al vergevorderd is. Ongeloofwaardig is een understatement. Wat dacht Mo Yan toen hij dit schreef? Staat hij achter de miraculeuze ommekeer van zijn personage? Of is dit de knieval die hij maakt naar het meelezende Chinese gezag? Maar: Renmei sterft op de operatietafel. De lachsalvo’s en vreugdedansjes zijn voor niets geweest. Valt dit sterfgeval te lezen als impliciete kritiek van de auteur? Dat blijft moeilijk in te schatten. Zeker als je ook de volgende passages in overweging neemt.

Tante is een monster, het systeem is niet monsterlijk

Tante krijgt gedurende de roman heel wat woede over zich heen. ‘Jouw tante is geen mens, ze is een monster!’, roept de moeder van Renmei bijvoorbeeld. Ze wordt aangevallen, uitgescholden, gemeden, geridiculiseerd – alle negatieve emoties over geboortebeperking komen op haar bord. Het grotere systeem, het beleid erachter wordt niet bevraagd. Tante spreekt, ter verdediging van haar acties, wél meerdere malen over het grotere systeem:

‘Als iedereen zomaar kinderen mag krijgen, worden het er dertig miljoen in een jaar, dat betekent driehonderd miljoen in tien jaar, en over vijftig jaar zal de aarde dan zijn platgewalst door de Chinezen. Daarom mogen we kosten noch moeite sparen om het geboortecijfer omlaag te brengen, dat is de bijdrage van de Chinezen aan de gehele mensheid.’

En Kikkervisje verwoordt zijn gedachten als volgt:

In de afgelopen twintig jaar hebben de Chinezen naar extreme middelen gegrepen om de omvang van de explosieve bevolkingstoename te beperken. Feitelijk gesproken was dat niet alleen maar omwille van de ontwikkeling van China zelf, het was tegelijkertijd een bijdrage van China aan de gehele mensheid. Tenslotte leven wij allemaal op deze kleine planeet. Er zijn te weinig natuurlijke hulpbronnen op de wereld, als die zijn opgebruikt kunnen we niet verder leven. Zo bezien is de kritiek van westerlingen op de Chinese gezinsplanning dan ook niet geheel rechtvaardig.

Bij zo’n herhaling van hetzelfde uitgangspunt bij verschillende personages vraag ik me onwillekeurig af: is het Mo Yan zelf die hier zijn visie geeft? Is dit wat hij met deze roman wil uitdragen? Het is veelzeggend dat geen enkel personage een andere visie uitdraagt, terwijl westerse demografen beargumenteren dat de draconische maatregelen helemaal niet nodig waren om de geboortecijfers te reguleren. Niemand die dát aan tante vertelt, hoe woedend haar dorpsgenoten ook mogen zijn. Ook rept niemand over het overschot aan jongetjes dat wordt geregistreerd, zelfs geen ‘grappige’ verwijzing – Mo Yan blijft ver uit de buurt van het probleem van de ‘verdwenen meisjes’ van China.

Muur van platitudes

Hoewel het beleid nadrukkelijk niet ter discussie staat, legt Mo Yan wel enkele akelige gevolgen ervan bloot. Tante raakt uiteindelijk getraumatiseerd door de vele abortussen die ze moet plegen. Ze heeft – in de woorden van Kikkervisjes vader – een ‘vreemde geestestoestand’ na haar pensionering. Ze is dan getrouwd met een kleipoppenmaker, en Kikkervisje ziet haar bij het volgende ritueel:

Tante hield de baby van klei omhoog, eerst bekeek ze hem van veraf, daarna van dichtbij, en nadat ze dat verschillende keren had gedaan brak er een liefdevolle uitdrukking door op haar gezicht. ‘Ja, zo is het goed, dit is hem.’ Plotseling veranderde tante van toon en begon ze rechtstreeks tegen die baby van klei te praten: ‘Jij bent het, dat kleine spookje, het spookje dat genoegdoening komt vragen. Van de tweeduizend achthonderd kinderen die ik heb gedood ontbrak er nog eentje, nu jij er bent zijn jullie compleet.’

Het is een ontroerend beeld: de vrouw die gedurende het hele boek zo recht-door-zee is, zoekt nu een uitweg voor haar complexe emoties. En juist op zo’n breekbaar moment – toch al sporadisch in deze roman – komt Mo Yan opnieuw met een passage die wel érg plichtmatig overkomt:

Ik begreep dat tante via de handen van haar man de baby’s die zijzelf had geaborteerd een voor een toch op deze wereld liet verschijnen. Ik vermoedde dat ze op deze manier met haar diepste schuldgevoelens in het reine wilde komen, ook al viel haar niet kwalijk te nemen wat ze had gedaan. Als zij het werk niet had gedaan, had iemand anders het wel gedaan. Bovendien, de echtparen die tegen de regels in zwanger waren geworden, hadden ook hun persoonlijke verantwoordelijkheid, die ze niet zomaar naast zich neer hadden moeten leggen. En het valt ook moeilijk te zeggen hoe China er nu uit zou zien als niemand de taak van de geboortebeperking op zich had genomen.

Die ‘persoonlijke verantwoordelijkheid’ vind ik nogal een stevige veeg uit de pan naar de eerder genoemde gestorven zwangere vrouwen in de roman. Maar los daarvan: het is alsof de schrijver steeds een muur van platitudes opwerpt, in plaats van de psyche van zijn personages en de diepere lagen van zijn thematiek verder uit te graven. Waarom zou hij dat doen, vraag ik me af:

  • Misschien kan hij alleen over de wrede gevolgen van het beleid schrijven, als hij óók het beleid verdedigt. Met andere woorden: deze passages acht hij misschien nodig om gepubliceerd te worden in eigen land.
  • Misschien is deze visie zijn eigen innerlijke overtuiging. Misschien denkt hij wel oprecht dat de eenkindpolitiek een goede zaak is, en wil hij dit via de literatuur uitdragen.
  • Misschien wil hij zijn eigen gemoed sussen – in een interview met Der Spiegel vertelt hij dat hij zijn eigen vrouw heeft aangemoedigd tot een abortus, omdat hij bang was voor zijn positie. Misschien is deze roman een manier om zijn keuze te verdedigen.
  • Misschien wil hij wel al die landgenoten die hebben geleden onder geboortebeperking een hart onder de riem steken. Als het beleid in essentie goed is, is al het leed niet voor niets geweest.
  • Maar misschien heeft Mo Yan, actief lid van de communistische partij, deze passages wel geschreven om de partij te behagen.

Dit laatste valt niet uit te sluiten. In 2012 won Mo Yan de Nobelprijs voor de Literatuur. De overheid feliciteerde hem uitbundig met de prijs, maar uit andere hoeken was felle kritiek. Onder meer mede-Nobelprijswinnares Herta Müller en kunstenaar Ai Wei Wei keerden zich tegen de toekenning. Zij concentreerden zich onder meer op een incident dat eerder dat jaar had plaatsgevonden. Mo Yan had deelgenomen aan een project rond de viering van een speech van Mao. Niet zomaar een speech, maar één waarin Mao spreekt over de rol van literatuur: die zou vooral ten dienste moeten staan van de politiek. Deze uitspraken vormden de basis voor jarenlange systematische onderdrukking van auteurs in China. En Mo Yan was een van de auteurs die een deel van deze tekst feestelijk kalligrafeerde. In het interview met Der Spiegel doet hij er luchtig over, maar het is een opmerkelijke zet. Lezend door Kikkers, bekruipt mij toch de vraag: vindt Mo Yan misschien werkelijk dat literatuur ten dienste moet staan van de politiek, van de partij? Verdedigt hij daarom de eenkindpolitiek in sommige passages zo opzichtig? En als dit zijn standpunt over literatuur is, heeft het Nobelcomité dan niet een van de grootste vergissingen uit zijn bestaan begaan?

In dit stuk citeer ik met dank uit de vertaling van Silvia Marijnissen. Extra dankbaar ben ik voor het feit dat zij waarschijnlijk trouwer aan de oorspronkelijke tekst is gebleven dan de bekende Amerikaanse vertaler Howard Goldblatt. In een interessant onderzoek analyseert Yim Yau Wun de rol van deze vertalingen bij het toekennen van de Nobelprijs. Daarin laat hij onder meer zien hoe Goldblatt ‘partij-vergoelijkende’ passages weglaat in zijn vertalingen, waardoor Mo Yan in het westen radicaler overkomt dan hij feitelijk is. Deze wijze van vertalen belemmert een heldere blik op de betekenis van een auteur, en ik ben blij dat de Nederlandse vertaling hieraan is ontkomen.

Kikkers is in Nederlandse vertaling verkrijgbaar als boek en e-boek.