Het tikkende hamertje van Tsjechov en Walser

Grote groepen mensen hebben het slechter dan wij. Wat doet dat met ons? Anton Tsjechov en Robert Walser vroegen zich al af hoe het bevoorrechtte deel van de bevolking omgaat met ongelijkheid.

In Tsjechovs weergaloze verhaal ‘Kruisbessen’ vertelt Ivan Ivanytsj aan twee kennissen over zijn broer, die erg ingenomen is met zijn nieuwe leven als landeigenaar. Ivan Ivanytsj krijgt als hij zijn broer bezoekt een inzicht dat hem niet meer loslaat:

[…] degenen die lijden zien en horen we niet, en al het verschrikkelijke in dit leven speelt zich ergens achter de coulissen af. Alles is stil, rustig, en alleen de stomme statistiek protesteert: zoveel zijn er gek geworden, zoveel emmers wodka zijn er gedronken, zoveel kinderen zijn aan ondervoeding bezweken… En die gang van zaken is kennelijk noodzakelijk; kennelijk voelt de gelukkige zich alleen goed omdat de ongelukkigen hun last zwijgend dragen en zou zijn geluk zonder dit zwijgen onmogelijk zijn. Het is een totale hypnose.

Het is 1898 als Tsjechov dit publiceert, in Rusland heeft de tsaar het nog voor het zeggen, de grote boerenbevolking leeft in bittere armoede. De woordkeuze ‘achter de coulissen’ roept een levendig beeld op: de rijke landeigenaren spelen hun decadente leven uit in de schijnwerpers, terwijl daarachter die enorme schare aan arme boeren en arbeiders aan het werk is om het gezelschap te dienen. Die onverschilligheid van rijk tegenover arm leidt tot deze beroemde passage:

Achter de deur van ieder tevreden, gelukkig mens zou iemand met een hamertje moeten staan om er met zijn getik voortdurend aan te herinneren dat er ongelukkigen zijn, dat hij nog zo gelukkig kan zijn, maar dat vroeg of laat het leven hem zijn klauwen zal laten zien en de ellende zal toeslaan: ziekte, armoede, verliezen, en dat niemand hem dan zal zien of horen, net zoals hij nu de anderen niet ziet of hoort.

Ik vind dat zacht tikkende hamertje een van de meest ontroerende beelden uit de literatuur die ik ken, de onbeholpen oprechtheid van de hoofdpersoon bezorgt me altijd kippenvel.

Zo’n twintig jaar later schreef de Zwitserse Robert Walser zijn novelle ‘De Wandeling’, waarin de gedachtenkronkels van een wandelaar worden weergegeven. Tussen ontmoetingen en beschouwingen staat er ineens dit:

Bij de aanblik van een hoogst gesoigneerd voortdravende, wankel paraderende, chique, stramme meneer had ik de weemoedige gedachte: is het mogelijk dat zo’n prachtig uitgedoste, met ringen en sieraden beladen meneer geen moment aan veronachtzaamde, kleine, arme, slecht geklede, jonge schepsels denkt die toch vaak genoeg in vodden rondlopen, treurig gebrek aan netheid vertonen en beschamend verwaarloosd zijn? Geneert deze pauw zich niet een beetje? Voelt meneer de volwassene zich bij de aanblik van die vieze, slecht verzorgde jeugd dan helemaal niet geraakt? Hoe kunnen volwassen mensen er lol in hebben opgesmukt rond te lopen zolang er kinderen zijn die het aan elke uiterlijke opsmuk ontbreekt?

Het taalgebruik van Walser is zo overrompelend overdadig, dat het bijna alle aandacht van de lezer opslokt. Toch klinkt hier, een beetje verscholen onder die uitbundige dans van bijvoeglijk naamwoorden, dezelfde boodschap als in ‘Kruisbessen’. Het contrast tussen de man met de praalzucht van een pauw en de armoedige kinderen heeft een bijna komisch effect – als het niet zo schrijnend was. Stilistisch is het niet te vergelijken met de bijtende opsomming van Tsjechov: zoveel, zoveel, zoveel. En ook inhoudelijk zien we verschil: Walsers wandelaar blijft bij de uiterlijke beschouwing van rijkdom en armoede, als een buitenstaander die alleen maar registreert wat hij ziet, terwijl Tsjechovs Ivan Ivanytsj de statistiek erbij haalt.
Toch kaarten beide auteurs dezelfde ongemakkelijke kwestie aan: hoe is het mogelijk om door te gaan met je plezierige leventje, terwijl er zoveel mensen in ellende leven?

Walser laat zien hoe gemakkelijk het is om ongelijkheid aan je voorbij te laten gaan. Eerst een droom van een zin, waarin hij opnieuw arm en rijk in karikaturale overdrijving met elkaar contrasteert:

Een afgejakkerde, afgesloofde, afgepeigerde, waggelende werkvrouw die opvallend vermoeid en verzwakt en desondanks gehaast aan kwam lopen omdat ze blijkbaar nog vlug even van alles moest doen, herinnerde me op dat moment aan verwende dochtertjes of dochters van goeden huize die vaak niet lijken te weten met wat voor elegante, verheven bezigheid of verstrooiing zij hun dag door moeten brengen, die misschien nooit echt moe zijn, die er dagen- en wekenlang over nadenken hoe zij zich moeten kleden om de schittering van hun verschijning te verhogen, die tijd in overvloed hebben om omslachtige bespiegelingen op touw te zetten over de vraag wat zij in het werk moeten stellen om te bereiken dat hun persoon en schattige, suikerzoete figuurtje in alsmaar meer overdreven, ziekelijke geraffineerdheden gehuld is.

Waarna de overpeinzingen van de wandelaar op een heel ander spoor verder gaan:

Toch ben ik meestal juist zelf een aanbidder en bewonderaar van dergelijke beminnelijke, tot in de puntjes verzorgde, maneschijnachtig tedere, mooie jonge troela’s. Een aantrekkelijke bakvis zou mij bijna kunnen bevelen wat ze wilde, ik zou haar blindelings gehoorzamen. Wat is schoonheid toch schoon en het verrukkelijke toch verrukkelijk!

Kun je het de peinzende wandelaar kwalijk nemen dat zijn gedachten niet bij de afgesloofde werkvrouw blijven hangen, maar bij het suikerzoete figuurtje? Hij zapt weg naar aangenamere beelden en hersenspinsels, en loopt door, en de rijken blijven hun verrukkelijke toneelspel opvoeren.
Die zo begrijpelijke neiging om het hoofd af te wenden en het leed van anderen niet tot je door te laten dringen zien we ook bij de twee toehoorders van Ivan Ivanytsj:

Ze hadden het maar saai gevonden […] Om een of andere reden wilden ze praten en horen over elegante mensen, over vrouwen.

Het is zo verleidelijk, zo gemakkelijk ook, om het leed dat zich niet voor je ogen afspeelt te negeren. We weten dat er mensen zijn die in de meest afschuwelijke omstandigheden onze kleding maken, dat er mensen verhongeren onder corrupte regimes, dat… ik zou alinea’s door kunnen gaan met zo’n opsomming. Het punt is dat het nog steeds zo ontzettend makkelijk is om al dit onrecht te negeren en comfortabel door te leven. We generen ons daar blijkbaar niet voor, net zoals Walsers pauw zich niet geneert voor zijn sieraden en ringen. Maar er verandert iets. De ongelukkigen zwijgen niet meer. Ze staan niet zacht met een hamertje te tikken, maar laten luidruchtig van zich horen bij de grenzen van Europa. Is dat waarom een deel van de mensen zo kwaad is op de komst van de vluchtelingen? Omdat de vluchtelingen hun last niet zwijgend dragen, maar ons er mee confronteren en daarmee ons comfortabele leven verstoren? Deze gevluchte mensen zetten alles op het spel om een leven te kunnen leiden dat net zo veilig en welvarend is als het onze. En waarom zouden ze ook niet? We kunnen het leed niet meer achter de coulissen houden, we moeten luisteren naar de ‘stomme statistiek’.

Ivan Ivanytsj ziet maar één uitweg om te kunnen leven met het getik van het hamertje:

‘Pavel Konstantinytsj!’ zei hij met smekende stem. ‘Bedaar niet, laat u niet in slaap sussen! Laat niet na goed te doen zolang u jong, sterk en fit bent! Geluk bestaat niet en dat hoeft ook niet, maar als het leven een doel en een zin heeft, dan zijn dat doel en die zin helemaal niet gelegen in ons geluk, maar in iets wat groter, rationeler is. Doe goed!’
Ivan Ivanytsj zei dit alles met een zielig, smekend glimlachje, alsof hij iets voor zichzelf persoonlijk vroeg.

Doe goed! Het klinkt zo klein en onbeholpen. Als Ivan Ivanytsj tegenover de schreeuwende massa van Steenbergen zou staan, zou hij met de grond gelijk worden gemaakt. Toch moet ook deze kleine stem gehoord worden. Ik wil niet geloven dat het hartstochtelijke pleidooi van Tsjechov en het fraaie woordspel van Walser zinloos zijn. Ongelijkheid moeten we blijven benoemen. Het hamertje moet blijven tikken.

Ik heb de prachtige recente vertalingen gebruikt van Eekman, Prins en Stoffel (Tsjechov, verzamelde werken 5, uitgeverij Van Oorschot) en van Machteld Bokhove (Robert Walser, De Wandeling, uitgeverij Lebowski) en ben blij te kunnen zeggen dat beide makkelijk verkrijgbaar zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *