Een literaire canon bestaat uit teksten die we zo belangrijk vinden, dat we ze willen doorgeven aan volgende generaties. Canons zijn voer voor talloze hoogoplopende discussies, waarbij iets te vaak voorbij wordt gegaan aan het wat en waarom. Daarom hoog tijd voor: negen zelden gestelde vragen over de canon die eerst eens beantwoord moeten worden.

Canonieke werken in vertaling

Wat is een canon?

In canondiscussies wordt ‘canon’ nog wel eens inwisselbaar gebruikt voor ‘leeslijst’, maar dat zijn twee verschillende dingen. Wel kan een canon docenten tot basis dienen om een leeslijst op te stellen. In definities staat meestal zoiets als dat een canon bestaat uit de ‘beste’, ‘meest representatieve’ of ‘essentiële’ werken van een bepaald gebied (de Nederlandse canon, de westerse canon, de canon van de wereldliteratuur). Dat roept natuurlijk discussie op, want wat ís goed, representatief of essentieel? Eenvoudig gesteld bestaan er twee denkrichtingen:

  • De canon bestaat uit boeken die zich onderscheiden door (esthetische) kwaliteit;
  • De canon bestaat uit boeken waar veel dialoog omheen bestaat.

De nadruk ligt vaak op kwaliteit, en dat is op z’n zachtst gezegd een mijnenveld. Daarom lijkt het me goed om eens te focussen op de dialoogfunctie, met andere woorden, de relatie die lezers hebben met een werk. Hoeveel vertalingen, herinterpretaties en filmadaptaties bestaan er bijvoorbeeld? Voelen andere schrijvers, kunstenaars of musici zich geïnspireerd om in hun eigen kunst aan het werk te refereren? En hoe groot is het lezerspubliek door de jaren heen? Kortom, in hoeverre lééft een werk?

Hoe ontstaat een canon?

Heel geleidelijk. Verreweg de meeste boeken worden al snel weer vergeten – als ze al niet bij verschijning onopgemerkt zijn gebleven. Het aanbod is dan ook gigantisch. Gaandeweg selecteren we met elkaar wat we willen behouden, wat we weg laten zakken in de vergetelheid. Iedereen die leest, draagt bij aan canonvorming. Iedereen die doorgeeft wat hij leest, nog meer.
Zo ontstaat een set teksten waar lezers niet over uitgepraat raken, waarin meerdere generaties steeds weer iets vinden dat ze intrigeert. In essentie is dat wat de canon is: werken die fascinerend genoeg zijn gebleken om de aandacht vast te houden, waar we steeds naar terugkeren om onszelf toe te verhouden.

Maar sommige lezers zijn gelijker dan andere… Gezaghebbende critici kunnen met hun oordeel zo’n stevig stempel drukken, dat sommige werken bijna onwrikbaar in de canon gebeiteld lijken te zijn. Een bijzondere uitwas in ons land is bijvoorbeeld dat drie bepaalde schrijvers al sinds de jaren zeventig ‘de grote drie’ worden genoemd. Door die herhaling krijgen lezers het idee dat dit daadwerkelijk dé drie toonaangevende schrijvers van Nederland zijn, waardoor er óók meer dialoog rondom ontstaat – en minder rond andere. Het gebruik van die term is al vaak bekritiseerd, maar duikt toch steeds weer op.

Staat een canon vast?

Nee, niet als je ervan uitgaat dat we een canon samen creëren door de dialoog aan te gaan. Dan kan niemand voorschrijven: ‘dit is de canon’.

Er zijn wel literatuurwetenschappers die het op zich hebben genomen om tot een lijst te komen, zoals Harold Bloom voor de westerse en Amerikaanse literatuur en Marcel Reich-Ranicki voor de Duitstalige literatuur. Ook voor de Nederlandse taal zijn pogingen gedaan. Rond dit soort lijsten zijn verhitte discussies uitgevochten.

De canon van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (MdNL) is opgesteld in 2002 en kwam tot stand via een enquête. De inzenders zelf hadden al direct de nodige bedenkingen bij deze onderneming. Er heeft dus nooit consensus bestaan over ‘de’ canon van de Nederlandse literatuur. Ook al niet omdat er bovendien in ons taalgebied twéé van die lijsten bestaan. Die ándere canon is een initiatief vanuit de Vlaamse Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL). Die ontstond als reactie op de Nederlandse en heeft een herziening gekregen in 2015. De makers noemen het zelf ‘geen stenen tafel voor de eeuwigheid, wel een menukaart’.

Als een canon niet vaststaat, hoe weten we dan welke werken ertoe behoren?

Canonieke teksten herkennen we allemaal. Als je in 2020 ziet dat er een filmadaptatie van Jane Austens Emma uit 1818 verschijnt weet je: canon. Het zijn de boeken die opduiken in kennisquizzen, waaraan wordt gerefereerd in interviews en essays, die worden behandeld in literaire overzichtswerken en ja, ook de boeken die terechtkomen in het lesmateriaal van middelbare scholen. Sommige werken staan zó in ons collectieve geheugen gegrift, dat we ze zelfs kennen als we ze niet hebben gelezen, het hart van de literaire canon. Daaromheen cirkelt een groter aantal titels waarvan de vlam niet uitdooft. Simpel: het zijn die werken die we niet laten gaan.

Wat is er mis met de canon?

Veel. Om te beginnen al dat we te veel blijven denken over ‘de’ canon, in plaats van aan de lossere constructie die het eigenlijk is. Maar ook dat bepaalde lezers een zwaarder stempel hebben gedrukt op wat we als canoniek beschouwen dan anderen, is problematisch. De meeste boeken die we in de westerse wereld als canoniek ervaren, zijn van witte mannen, omdat daar in het verleden meer waarde aan werd gehecht dan aan het werk van anderen. De twee canonlijsten uit ons eigen taalgebied zijn daar pijnlijke voorbeelden van. Dat moet en kan anders. Een mooi initiatief dat zich daar actief mee bezighoudt is Fixdit. Logische volgende vraag:

Kunnen we de canon veranderen?

Omdat we ‘m met z’n allen maken, kunnen we ‘m ook met z’n allen veranderen. We kunnen voortbouwen aan de canon, stapelen, schuiven en zelfs schoppen. Maar we kunnen de canonvorming van generaties voor ons niet wíssen. We kunnen niet zeggen: ‘die schrijver is niet belangrijk voor ons, dus die hoort er niet meer in thuis’. Charlotte Brontës’ Jane Eyre verdwijnt (gelukkig) niet zomaar in het niets als er de komende tien jaar geen nieuwe vertalingen meer aan die 594 al bestaande worden toegevoegd. Rond zo’n boek bestaat zoveel dialoog, dat het zich recht in het hart van de canon bevindt. Andersom kunnen we ook niet zomaar zeggen: ‘dat boek is altijd veronachtzaamd in de literatuurgeschiedenis, maar wij maken er nu wel een canoniek werk van’. Dialoog opbouwen kost tijd en bestaat uit meer dan een eenmalige actie.
Aan de andere kant: in Nederland zijn er niet heel veel boeken zó canoniek als de romans van Jane Austen en Charlotte Brontë. Multatuli’s Max Havelaar is een van de uitzonderingen. Daar zit een fascinerende lezersgeschiedenis achter waar je in dit boekje op een leuke manier kennis mee kan maken.
Dat korset rond wat in Nederland vaak als ‘grote literatuur’ wordt gezien, kan makkelijk wat losser dan het nu zit.

Hoe omvangrijk is een canon?

Hoewel er geen reden is om een canon te beperken tot vijftig of honderd titels, is ongebreideld uitdijen ook weer niet mogelijk. Als een werk, een auteur regelmatig échte, intensieve aandacht krijgt – het soort aandacht dat leidt tot canonisering – betekent dat onvermijdelijk dat er minder aandacht is voor anderen. Met hoeveel klassieke werken kun en wil je je bezighouden in een mensenleven, zelfs als fervente lezer? Hoeveel boeken kunnen aandacht krijgen van onderzoekers, op middelbare scholen en in colleges? Voor hoeveel verfilmingen, biografieën, podcasts, essays is ruimte? Ik ben het helemaal met Fixdit eens dat er ‘meer sokkels bij moeten komen’, maar ergens is er een grens. Er zullen boeken in de vergetelheid wegzakken, die nu nog op die gekunstelde lijsten van de MdNL en KANTL staan. Maar omdat canonvorming iets anders is dan een lijstje opstellen, hoeft er om meer recht te doen aan verschillende perspectieven niet keihard uitgeruild te worden. Komende generaties lezers zullen gaandeweg sturen welke boeken verdwijnen, welke opkomen.

Hoeveel literaire werken zijn er?

Een onderzoeker van Stanford Literary Lab deed in 2017 als experiment een poging om de hoeveelheid romans in het Engelse taalgebied uit te rekenen en kwam in de richting van 5 miljoen. Dit bracht hem tot de verzuchting: Literary critics might know 200 novels quite well, giving them purchase on somewhere between 0.1% and 0.004% of the field.

Hoe moeten we met canonieke werken omgaan?

In ieder geval niet al te plechtstatig, alsof het museumstukken zijn waar je niet aan mag komen. Het hele idee achter de dialoog aangaan is juist dat je er wél aan mag komen. Een boek is net zo goed van de lezer als van de schrijver. Juist dat houdt die boeken bij ons. Annelies Verbeke geeft het perfecte voorbeeld met haar verhalenbundel Treinen en Kamers (2021). Elk verhaal is geïnspireerd op een werk uit de wereldliteratuur.

Waarom hebben we eigenlijk een canon?

Dit is misschien wel de belangrijkste zelden gestelde vraag. Want zelfs al heb je er van alles op aan te merken, die canon bestáát. Die culturele constructie hebben wij, lezers, met elkaar opgebouwd.
Blijkbaar hebben we er behoefte aan. Canonieke werken verbinden ons met lezers uit verschillende tijden, onder verschillende omstandigheden. Als je een canoniek werk leest, voeg je jouw eigen leeservaring toe aan een wijdvertakt netwerk van eerdere leeservaringen. Je gaat daarbij niet alleen in dialoog met het oorspronkelijke werk, maar ook met al die andere mensen die de interactie met dat werk zijn aangegaan. Het is een rijk palet aan leesindrukken waar je induikt, en hoe meer je je daarin verdiept, hoe fascinerender het is. Je kunt verwantschap vinden – ‘die verfilming laat precies zien wat ik zo mooi vind aan het boek!’ – of vijandschap – ‘die criticus uit 1930 slaat de plank hélemaal mis!’. Beide helpen om jouw band met het werk verder te definiëren. En soms is het gewoon heerlijk om te bedenken dat er al vierhonderd jaar lezers net als jij in de lach zijn geschoten om die geweldige vondst in hoofdstuk 44 van ‘de’ Don Quichot.

Natuurlijk, eigenlijk alles aan een canon is problematisch, zie hierboven. Toch is géén canon nog problematischer: het is ondoenlijk om van elke nieuwe generatie lezers te vragen om geheel onbevangen in de zee van boeken uit het verleden te vissen. Een canon geeft houvast in die zee.

Een alternatief is natuurlijk om de hele literatuurgeschiedenis te negeren en alleen hedendaagse boeken als relevant te bestempelen, maar dat is mij een te beperkte, en eerlijk gezegd ook te deprimerende gedachte. Wat is er mooier en belangrijker dan om herkenning te vinden in het werk van de Japanse Sei Shōnagon van ruim duizend jaar geleden, de Russische Anton Tsjechov van het einde van de negentiende eeuw of de Nigeriaanse Chinua Achebe uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, om maar enkele canonieke schrijvers te noemen? Ze laten ons een ándere wereld zien, zeker, maar ze tonen ons óók wat mens-zijn is, voorbij grenzen van tijd en ruimte. Zij geven ons een dieper inzicht in ons eigen kleine hedendaagse leventje.

Wat moet ík met de canon?

Wat je wilt! Het belangrijkste is: als je maar het gevoel hebt dat je met het boek dat je voor je hebt om wílt gaan. Doet het iets met je? Vind je het leuk om erover na te denken, op te reageren? Als je helemaal niet voelt dat het werk ook maar iets bij je losmaakt: gewoon wegleggen en iets anders proberen. Dat canonieke werken essentieel worden genoemd, betekent niet dat ze allemaal per se aan jou iets te vertellen hebben.

Vind je dat er te veel mis is met de hele canonconstructie die vorige generaties hebben opgebouwd, of houd je het toch liever bij hedendaagse boeken? Je kunt alle canonieke werken ter wereld negeren, en nóg voldoende leesvoer overhouden om vele mensenlevens mee te vullen. Je móet niets. Maar wie weet wat je vindt, als je het probeert.

Voorbeeld van canonvorming: Mary Shelley’s Frankenstein

Literatuurwetenschapper David Fishelov heeft veel onderzoek gedaan naar canonvorming via dialoog. Als voorbeeld geeft hij de ontwikkeling in de canonieke status van Mary Shelley’s Frankenstein (1818). Bij verschijning werd de roman met gemengde reacties in de pers ontvangen, herdrukken waren er nauwelijks. Wél vond het verhaal meteen weerklank bij theatermakers, en daarna bij filmmakers. Via die weg groeide de publieke belangstelling. Herdrukken kwamen pas in de jaren zeventig van de twintigste eeuw echt goed op gang. In die periode ontstond ook academische aandacht, anderhalve eeuw na de eerste publicatie. Volgens Fishelov komt dit deels doordat feministische onderzoekers recht wilden doen aan vrouwelijke auteurs die eerder te weinig aandacht kregen, deels omdat het onderwerp van de roman – biotechnologie – in die tijd actueel werd. Gedurende de twintigste eeuw verschenen er steeds meer vertalingen van de oorspronkelijke tekst, zoals dit incomplete overzicht laat zien. Tegenwoordig kun je niet meer om Frankenstein heen als een van de canonieke werken uit de wereldliteratuur.